Samenhang van koolstof en glucose en de relatie met de plantenvoeding
Koolstof is de fundamentele bouwsteen van waterplanten: ze nemen CO2 op en zetten die koolstof om in glucose en andere organische stoffen,
waarbij glucose zowel als energiebron als bouwmateriaal dient en deels wordt opgeslagen als zetmeel voor nachtelijke ademhaling, herstel en groei; CO₂ kan kunstmatig worden toegevoegd (bijvoorbeeld via gasflessen) of de plant kan koolstof halen uit bicarbonaat (HCO3) in het water, wat deels het verschil verklaart tussen hardwater‑ en zachtwater planten:
Hardwaterplanten zijn vaak kalktolerant én langzaam groeiend.
Langzame groeiers hebben: minder CO₂‑behoefte, minder voedingsbehoefte, zijn minder gevoeligheid voor schommelingen en dat maakt ze automatisch makkelijker in onderhoud.
Hardwaterplanten zijn evolutionair aangepast aan mineraalrijke omgevingen zoals veel Ca en Mg. Planten die daar goed mee omgaan, hebben vaak sterke celwanden en een efficiënte ionenregulatie. En veel hardwaterplanten zijn rhizoomplanten.
Het merendeel valt in de categorie Easy met een overloop naar Medium. Er zijn dus hardwaterplanten die gemiddeld genomen meer licht en Co2 nodig hebben. De bekendste hardwaterplanten zijn soortjes uit de familie Echinodorus, Microsorum, Hygrophila, Anubius en Cryptocoryne
Zachtwaterplanten zijn geëvolueerd in water met een lage GH en KH. Dat betekent dat ze minder goed omgaan met hoge concentraties calcium en magnesium. In harder water kunnen ze last krijgen van nutrient lockdown of verstoringen in hun ionenhuishouding. Hierdoor reageren ze sneller op veranderingen in waterwaarden, CO2 schommelingen en lichtintensiteit.
Veel van deze soorten komen bovendien uit habitats waar CO2 van nature overvloedig aanwezig is. Daardoor zijn ze gewend aan omstandigheden waarin ze snel kunnen groeien — en die groeisnelheid brengt automatisch een hogere vraag naar licht en voedingsstoffen met zich mee. Hoewel zachtwaterplanten niet automatisch 'moeilijk' zijn, hebben ze wél kenmerken die ze vaker in de categorie Medium of Advanced plaatsen
Te hoge GH of KH kan de opname van voedingsstoffen verstoren. Veel zachtwaterplanten presteren pas echt goed bij een stabiel CO₂‑niveau.
Snelle groeiers hebben meer energie nodig, en dus meer licht. Maar instabiele CO2, en de daarbij horende wisselende pH of een ongunstige Ca:Mg‑verhouding kan snel problemen geven.
Niet alle zachtwaterplanten zijn veeleisend. Sommige soorten zijn verrassend tolerant en doen het prima in een breed scala aan waterwaarden. Voorbeelden zijn:
Hydrocotyle tripartita, Limnophila sessiliflora, Hygrophila polysperma, Ceratophyllum demersum Deze planten groeien snel, passen zich goed aan en zijn minder gevoelig voor variaties in GH en KH. Ze hebben een voorkeur voor zacht water, maar functioneren ook in harder water zonder problemen.
Goed in dwaal weer af van het feitelijke onderwerp.
De anorganische bemesting die we toevoegen, zowel in het substraat als in de waterkolom, levert macro‑ en micronutriënten die planten niet uit CO2 kunnen maken maar wel nodig zijn voor de vorming van eiwitten, chlorofyl en celstructuren. Zonder deze nutriënten kan de vastgelegde koolstof niet effectief worden omgezet in nieuwe biomassa
In een goed uitgebalanceerd systeem, zoals bij een EI‑aanpak, zijn voedingsstoffen op zich niet genoeg: voldoende beschikbare CO2 is essentieel zodat planten die nutriënten kunnen omzetten in suikers en zetmeel, en daarom worden streefwaarden rond of boven 20 ppm CO2 vaak genoemd om optimale omzetting te ondersteunen.
Als een plant tijdelijk geen koolstof kan opnemen, mobiliseert zij eerst opgeslagen reserves in bladweefsel en zetmeel; dit is het begin van verval, want bij aanhoudend gebrek aan CO2, langdurig lichttekort, stress of voedingsgebrek raken die reserves uitgeput en verslechtert de gezondheid van de plant.
Aan de andere kant kan langdurig lichtoverschot, terwijl er voldoende voedingsstoffen en CO2 aanwezig zijn, leiden tot een energie‑ en nutriëntenoverschot dat niet automatisch resulteert in gezonde extra groei maar juist tot onbalans en problemen zoals algengroei of fysiologische stress; daarom draait het in de praktijk om de samenhang tussen stabiele CO2‑aanvoer, passende lichtintensiteit en -duur, voldoende macro‑ en micronutriënten en goede stroming, omdat tekorten of overschotten in één component de opslag, omzetting en uiteindelijk de vitaliteit van de plant bepalen.